HOME | BOEKEN | AUTEUR | NIEUWS | PERS | ONDERZOEK | GALLERY | EXTRA's | CONTACT | SITEMAP | LINKS

HOME

BOEKEN

AUTEUR

NIEUWS

PERS

ONDERZOEK

GALLERY

EXTRA's

CONTACT

SITEMAP

LINKS

 

 

ONLINE FICTIE

 

Geveltoerisme (column)

Modus operandi (kort verhaal / zwarte humor)

________________________________________________________

 

Geveltoerisme

(column)

3 juni 2008 gepubliceerd in dagbad 'De Pers'

 

Ik sta op een ladder. Niets bijzonders, zou je denken, ware het niet dat ik op zeer onverantwoorde wijze bezig ben ons pittoreske dijkhuisje te voorzien van een lange lat. De lat is bedoeld om het plastic op zijn plaats te houden, dat over het dakpanloze dak is gedrapeerd. De ladder staat op een steigertje. Mijn potige echtgenoot doet zijn best het zaakje in evenwicht te houden, terwijl ik zo’n vijf meter boven de grond, gewapend met een schroeftol, op een van de bovenste laddersporten balanceer.

Hoe mijn man mij zo gek heeft gekregen dat ik mijn leven op deze manier waag, begrijp ik zelf niet. Vooral omdat ik bij het kijken naar tv-programma’s zoals ‘de leukste thuis’ te pas en te onpas verkondig hoe dom sommige mensen zijn. Geen wonder dat ze gierend op hun bek gaan als ze drie stoelen op elkaar stapelen, er bovenop klimmen en vervolgens proberen een lampje aan het plafond te verwisselen. En nu ben ik, de weldoordachtheid zelve, als een volleerd circusartiest bezig dezelfde soort halsbrekende toeren uit te halen als die sufferds op tv.

In de hoop een mooie geldprijs te kunnen binnenslepen, staat mijn schoonvader met zijn videocamera in de aanslag op de dijk te wachten, tot ik een duikvlucht richting stoeptegels maak.

En ja hoor, daar heb je het al. Mijn man laat de ladder schieten, waardoor ik met ladder en al, minstens een meter omlaag zeil. Klapwiekend met mijn armen probeer ik mijn evenwicht te hervinden. De schroeftol schiet uit mijn hand, stuitert via de dakgoot naar beneden en slaat met een doffe klap aan stukken op het straatje ver beneden mij. Een handvol schroeven volgt. Vloekend en tierend krijg ik het voor elkaar de bovenste laddersport te grijpen, waarmee ik mezelf nog juist van de ondergang weet te redden. Mijn man krijgt de wild heen en weer slingerende ladder gelukkig weer onder controle en grijnst me schaapachtig toe. Haastig en wonderwel ongeschonden klauter ik de veiligheid tegemoet. Mijn schoonvader kan naar zijn geldprijs fluiten.

© Tisa Pescar 2008

Terug naar boven

________________________________________________________

 

Modus operandi

(kort verhaal/zwarte humor)

 

De eerste keer dat ik iemand van het leven beroofde was ik er nog niet zo handig in. Ik denk dat ik teveel films had gezien. Ik dacht dat het met één welgemikte messteek voor elkaar zou zijn. Niets was minder waar.

Al had ik de anatomie van het menselijk lichaam grondig bestudeerd en het vlijmscherpe Fox jachtmes keurig netjes midden in het hart gestoken, dood ging mijn uitverkorene niet. Ze viel niet eens flauw. Ze stond daar maar te staan en krijste moord en brand. Het mes danste vrolijk mee op het ritme van haar hartslag. Het stukje lemmet dat ik nog kon zien schitterde in het licht van de lantaarnpalen. Ik stak mijn hand uit, greep het mes vast en rukte het met een vloeiende beweging uit haar borst. Pas daarna begon ze te bloeden. Met grote ogen keek ze naar beneden. Haar gegil schoot abrupt een paar tonen de hoogte in. Het ging me door merg en been.

Ik ramde het mes nogmaals in haar lijf en perforeerde haar rechterlong. Die is het grootst, dus dat leek me de meest effectieve methode om haar de mond te snoeren. Het gillen veranderde in gerochel. Ze greep naar haar borst en zonk op haar knieën neer. Het bloed gutste als een rode waterval tussen haar uitgespreide vingers door en vormde een mooie glinsterende plas op het asfalt. Uit haar mond welde roze schuim op. Toch waren er nog minstens vier messteken nodig om het karwei te klaren.

Toen ze eindelijk dood was greep ik haar corpulente lichaam onder de oksels vast en sleepte het met korte rukken over het stroeve asfalt naar de dichtstbijzijnde vuilcontainer, die minstens een halve kilometer verderop stond. Haar schoenen krasten over de straat. Haar hoofd bungelde ter hoogte van mijn knieën heen en weer, wat heel onhandig was omdat het zo nu en dan klem raakte tussen mijn benen. Nog voor ik de helft van de afstand had afgelegd begonnen mijn spieren te verzuren en raakte ik bevangen door ernstige ademnood.

Zodra ik de container bereikte liet ik het lichaam los waardoor het hoofd met een doffe klap tegen de stoeptegels sloeg. Hijgend als een paard boog ik voorover en steunde met mijn handen op mijn dijen. Het duurde zeker vijf minuten eer ik voldoende was hersteld om af te maken wat ik begonnen was. Behoedzaam duwde ik de ijzeren klep van de container omhoog. Het snerpende geluid van langs elkaar schuivende metalen onderdelen sneed oorverdovend door de stilte. De dreun waarmee de klep de muur achter de container raakte had iets weg van een kanonschot. Ik kromp in elkaar. Met gebalde vuisten en opeengeklemde kiezen bleef ik staan wachten. Gelukkig kwam er niemand.

Doordat de adrenaline inmiddels nagenoeg uit mijn spieren verdwenen was, kostte het me de grootste moeite het lijk in de container te krijgen. Ik kon wel juichen toen het eindelijk lukte. Gehinderd door een geblesseerde rug, die me ertoe bracht de eerstvolgende week in bed door te brengen, sloop ik de nacht in.

De tweede keer waagde ik me aan een pistool. Je houdt het niet voor mogelijk hoe simpel het is om aan een ongeregistreerd wapen te komen. Ik kocht er een doos patronen bij en ging oefenen. Het schieten was een stuk minder gemakkelijk dan het leek. Ook hier gold dat ik teveel films had gezien. Westerns, om precies te zijn, waarin nobele revolverhelden de slechteriken in één goedgerichte handomdraai naar de andere wereld hielpen. Van de rij bierblikjes, die ik netjes naast elkaar op een omgevallen boomstam had gezet, raakte ik er niet een. Ook niet toen ik een paar stappen naar voren deed en het nogmaals probeerde. Het feit dat een mensenlichaam aanzienlijk groter is dan een blikje gaf me echter voldoende zelfvertrouwen om het erop te wagen.

Vol goede moed toog ik naar het meest vervallen deel van een grote stad, waar ik mijn zinnen zette op een tippelende heroïnehoer. Om geen argwaan te wekken deed ik me voor als klant. Ik stak mijn handen in mijn broekzakken en kuierde op mijn dooie akkertje door de straat. De hoeren die ik passeerde probeerden me met een hoop geslijm te strikken. Degenen die ik negeerde bestookten mij met vulgaire taal.

Mijn oog viel op een graatmagere blonde del die een eind verderop alleen aan de straatkant stond. Het was daar donkerder dan elders. Haar verdwijning zou niet direct worden opgemerkt. Ik sprak haar aan en zei dat ik oraal bevredigd wilde worden. Halverwege de onderhandelingen over condooms en het tarief drukte ik het pistool in haar zij. De hoer sperde haar ogen wagenwijd open. De rode lippenstift waarmee ze haar wulpse mond had aangezet kreeg op slag iets clownesks. Het beetje kleur dat ze op haar gezicht had trok razendsnel weg. Ik nam haar mee naar een afgelegen haventerrein, waar ik het pistool tegen haar slaap zette en de trekker overhaalde.

De knal die ik verwachtte bleef uit. Ik had vergeten de veiligheidspal om te zetten. Met een hartgrondige vloek deed ik het alsnog. In de tussentijd had ik een welgemikt knietje in mijn kruis te pakken. Grommend van de pijn dook ik naar de grond terwijl de hoer er op hoge hakken vandoor ging. Ik zag nog juist kans haar enkel vast te grijpen. Ze kwam plat op haar buik op de kinderkopjes terecht en schopte in het wilde weg om zich heen.

Kermend kroop ik naar voren en graaide naar haar andere enkel, die ik pas bij de vierde poging te pakken kreeg. Ervoor zorgend dat mijn gekneusde klokkenspel verder buiten schot bleef trachtte ik de hoer in bedwang te houden. Het ging niet bepaald van een leien dakje. Ze schreeuwde, mepte en krabde. Ten einde raad sloeg ik haar met de handgreep van het pistool de hersens in. Het pistool dumpte ik in een plastic zak vol stenen op de bodem van de haven. Het lijk van de hoer verborg ik na kort beraad achter een paar roestige zeecontainers.

Nu messen en pistolen waren afgevallen moest ik mijn hersens behoorlijk kraken om een nieuwe modus operandi te bedenken. Het kostte me enkele maanden om tot resultaat te komen. Moord nummer drie pleegde ik op de jaarlijkse kermis. Het barstte daar van het volk. Ik begaf me, gekleed in een onopvallend tenue, in de menigte. Na een tijdje speurend te hebben rondgestruind richtte ik mijn vizier op een jonge meid. Ze stond in een ellenlange rij voor het damestoilet te wachten. Blijkbaar had ze hoge nood, want ze drentelde voortdurend zenuwachtig heen en weer. Het was duidelijk dat ze voorlopig niet aan de beurt zou komen. Al gauw leek zij die conclusie ook te trekken. Ze verliet de rij en liep met haastige stappen de kermis over. Ik volgde op gepaste afstand.

Net buiten het kleurig verlichte terrein hield ze stil. Bang dat ze zou omkijken verborg ik me achter een hulststruik waarvan de stekelige bladeren me gemeen prikten. Net op tijd! Het grietje keek spiedend om zich heen. Vermoedelijk verkeerde ze in de veronderstelling dat ze alleen was. Ze maakte haar riem los, trok haar broek omlaag en ging achter de verlaten caravan van een kermisklant zitten urineren. Meteen zag ik mijn kans schoon. Ik sloop op haar af en sloeg mijn linkerhand voor haar mond. Mijn rechterarm klemde ik om haar middel.

Natuurlijk gaf ze zich niet zonder slag of stoot gewonnen. Integendeel. Ze vocht als een furie en beet tot bloedens toe in mijn duim. In een reflex trok ik mijn hand weg. Direct zette ze een keel van jewelste op. Ik haalde uit en sloeg een paar tanden uit haar mond. Op die manier kon ik haar stil houden zonder een tweede beet te hoeven vrezen. Ik sleepte haar naar de vijver, een meter of honderd verderop, en duwde haar hoofd onder water. Haar lange haren waaierden uit als het kapsel van een zeemeermin. Ze spartelde en kronkelde dat het een lieve lust was.Helaas bracht ze mij daarmee uit evenwicht. Met een enorme plons raakte ik te water. Het was verdomde koud. Ik zakte tot aan mijn enkels in de modder.

Vanzelfsprekend bleef ik het grietje vasthouden tot ze niet meer bewoog, maar de lol was eraf. Het lijk liet ik in het water ronddobberen. Ik had geen idee wat ik er anders mee moest doen. Doordat mijn kleren drijfnat waren kon ik me nauwelijks bewegen. Ik stond te rillen van de kou. Tijdens het gevecht om op de kant te komen voelde ik me hulpelozer dan een gekortwiekte vogel. Ik ging zo vlug mogelijk naar huis, maar kon niet voorkomen dat de snijdende wind me een longontsteking bezorgde.

Mijn laatste strooptocht kostte een zakenvrouw het leven. Keurig opgedoft palmde ik haar in, waarop ze me meenam naar haar luxueuze penthouse. Ik liep naar de glazen pui en keek naar buiten. Hoog aan de hemel stond de nieuwe maan als een zuinig streepje tussen de sterren. Ver beneden mij schitterden de lichtjes van de stad. Het was een prachtig gezicht.

Achter me klonk een beleefd kuchje. Ik draaide me om. De zakenvrouw zat op een duur uitziende witte sofa. Ze had joekels van borsten waar ze op ronduit snollerige wijze mee pronkte. Een randje rode BH piepte boven het decolleté van haar haute couture uit. Ik ving een glimp op van haar met kant bedekte kruis. Daar hoefde ik niet eens moeite voor te doen, want ze had haar rok hoog laten opkruipen. De boodschap was zo klaar als een klontje: ze wilde seks. Ik vond het best.

Glimlachend vroeg ik waar de slaapkamer was. Als antwoord stond ze op. Met veel heupgezwaai, waarbij ik me aan haar welgevormde kont vergaapte, ging ze me voor. We doken samen het smeedijzeren hemelbed in. Er hingen crèmekleurige gordijnen aan de hoeken. Het beddengoed was van satijn. De zakenvrouw liet geen seconde verloren gaan. Ze rukte de kleren van mijn lijf en greep naar mijn gereedschap dat al in vol ornaat voor haar klaar stond. Tijdens de wilde vrijpartij die volgde, drukte ik haar strot dicht.

Als ik had geweten dat ze een expert zelfverdediging was, had ik me wel drie keer bedacht. Ze graaide naar mijn gezicht en plantte haar duimen snoeihard in mijn ogen. Een helse pijn deed me naar adem snakken. De angst dat mijn oogbollen uit elkaar zouden spatten verdubbelde mijn kracht. Ik pakte haar polsen beet, rukte ze opzij en bond haar handen met een pantykous vast aan de spijlen van het bed. Haar voeten knoopte ik aan elkaar met de andere kous.

Zoals ik al verwacht had, begon ook zij te krijsen als een speenvarken. Om hier een eind aan te maken propte ik het kanten slipje in haar mond. Ik ging op haar bekken zitten en bracht mijn gezicht vlakbij het hare. Met een blik diep in haar ogen wurgde ik haar langzaam. Steeds als ik dacht dat ze flauw ging vallen liet ik los en zoog ze de lucht met raspende uithalen haar gemartelde longen in.

Uiteindelijk had ik er genoeg van en hield ik vast. Ze liep paars aan. Haar ogen puilden uit. Het beruchte tongbotje knapte onder de druk van mijn duimen. De striemen die ik op haar hals achterliet schonken me de bevrediging waar ik al die tijd naar op zoek was geweest. Spijtig genoeg hadden de buren het lawaai gehoord. De voordeur werd geforceerd. Er stormde een stel in zwart geklede mannen met rubberen knuppels en handboeien naar binnen. Ik werd overmeesterd en afgevoerd in een politiewagen. Sinds drie maanden zit ik in de dodencel.

Na mijn arrestatie kwam al vlug aan het licht dat de andere moorden ook van mijn hand zijn. De ontwikkeling van de forensische wetenschap is immers niet stil blijven staan. In de trui van mijn eerste slachtoffer vonden ze een haar van mijn hoofd. Onder de nagels van de hoer had ik huidschilfers achtergelaten. Mijn schoenen waren besmeurd met moddersporen uit de vijver. Op de buik van de zakenvrouw lag de witte substantie die ik in opperste verrukking had afgeschoten. De mij toegewezen advocaat kon niet veel voor me doen.

Op het moment bereid ik mijn laatste moord voor. Ik sta, gehuld in het afzichtelijke oranje pak dat ik moet dragen, op een krukje voor de deur van mijn cel. Aan de tralies hangt de strop die ik zelf heb gemaakt van de rafelige schoenveter uit mijn linker kist. Ik steek mijn hoofd door de lus en schop het krukje onder me vandaan. Heel even bungel ik spartelend en naar lucht happend aan het touw. Dan hoor ik een knappend geluid en stort ik naar beneden. De veter is doormidden gebroken. Mijn lichaam komt op pijnlijke wijze in aanraking met de betonnen vloer. Waar ik eerst nog aan twijfelde weet ik nu zeker. Ik ben een waardeloze moordenaar.

© Tisa Pescar 2008

Terug naar boven

 

VERWANTE ONDERWERPEN

Genre

Boeken

Uitgeverij Kramat

 

 

 

HOME | BOEKEN | AUTEUR | NIEUWS | PERS | ONDERZOEK | GALLERY | EXTRA's | CONTACT | SITEMAP | LINKS

© Tisa Pescar 2008