De eerste keer dat ik iemand van het leven beroofde
was ik er nog niet zo handig in. Ik denk dat ik teveel
films had gezien. Ik dacht dat het met één welgemikte
messteek voor elkaar zou zijn. Niets was minder waar.
Al
had ik de anatomie van het menselijk lichaam grondig
bestudeerd en het vlijmscherpe Fox jachtmes keurig
netjes midden in het hart gestoken, dood ging mijn
uitverkorene niet. Ze viel niet eens flauw. Ze stond
daar maar te staan en krijste moord en brand. Het
mes danste vrolijk mee op het ritme van haar hartslag.
Het stukje lemmet dat ik nog kon zien schitterde in
het licht van de lantaarnpalen. Ik stak mijn hand
uit, greep het mes vast en rukte het met een vloeiende
beweging uit haar borst. Pas daarna begon ze te bloeden.
Met grote ogen keek ze naar beneden. Haar gegil schoot
abrupt een paar tonen de hoogte in. Het ging me door
merg en been.
Ik
ramde het mes nogmaals in haar lijf en perforeerde
haar rechterlong. Die is het grootst, dus dat leek
me de meest effectieve methode om haar de mond te
snoeren. Het gillen veranderde in gerochel. Ze greep
naar haar borst en zonk op haar knieën neer. Het bloed
gutste als een rode waterval tussen haar uitgespreide
vingers door en vormde een mooie glinsterende plas
op het asfalt. Uit haar mond welde roze schuim op.
Toch waren er nog minstens vier messteken nodig om
het karwei te klaren.
Toen
ze eindelijk dood was greep ik haar corpulente lichaam
onder de oksels vast en sleepte het met korte rukken
over het stroeve asfalt naar de dichtstbijzijnde vuilcontainer,
die minstens een halve kilometer verderop stond. Haar
schoenen krasten over de straat. Haar hoofd bungelde
ter hoogte van mijn knieën heen en weer, wat heel
onhandig was omdat het zo nu en dan klem raakte tussen
mijn benen. Nog voor ik de helft van de afstand had
afgelegd begonnen mijn spieren te verzuren en raakte
ik bevangen door ernstige ademnood.
Zodra
ik de container bereikte liet ik het lichaam los waardoor
het hoofd met een doffe klap tegen de stoeptegels
sloeg. Hijgend als een paard boog ik voorover en steunde
met mijn handen op mijn dijen. Het duurde zeker vijf
minuten eer ik voldoende was hersteld om af te maken
wat ik begonnen was. Behoedzaam duwde ik de ijzeren
klep van de container omhoog. Het snerpende geluid
van langs elkaar schuivende metalen onderdelen sneed
oorverdovend door de stilte. De dreun waarmee de klep
de muur achter de container raakte had iets weg van
een kanonschot. Ik kromp in elkaar. Met gebalde vuisten
en opeengeklemde kiezen bleef ik staan wachten. Gelukkig
kwam er niemand.
Doordat
de adrenaline inmiddels nagenoeg uit mijn spieren
verdwenen was, kostte het me de grootste moeite het
lijk in de container te krijgen. Ik kon wel juichen
toen het eindelijk lukte. Gehinderd door een geblesseerde
rug, die me ertoe bracht de eerstvolgende week in
bed door te brengen, sloop ik de nacht in.
De
tweede keer waagde ik me aan een pistool. Je houdt
het niet voor mogelijk hoe simpel het is om aan een
ongeregistreerd wapen te komen. Ik kocht er een doos
patronen bij en ging oefenen. Het schieten was een
stuk minder gemakkelijk dan het leek. Ook hier gold
dat ik teveel films had gezien. Westerns, om precies
te zijn, waarin nobele revolverhelden de slechteriken
in één goedgerichte handomdraai naar de andere wereld
hielpen. Van de rij bierblikjes, die ik netjes naast
elkaar op een omgevallen boomstam had gezet, raakte
ik er niet een. Ook niet toen ik een paar stappen
naar voren deed en het nogmaals probeerde. Het feit
dat een mensenlichaam aanzienlijk groter is dan een
blikje gaf me echter voldoende zelfvertrouwen om het
erop te wagen.
Vol
goede moed toog ik naar het meest vervallen deel van
een grote stad, waar ik mijn zinnen zette op een tippelende
heroïnehoer. Om geen argwaan te wekken deed ik me
voor als klant. Ik stak mijn handen in mijn broekzakken
en kuierde op mijn dooie akkertje door de straat.
De hoeren die ik passeerde probeerden me met een hoop
geslijm te strikken. Degenen die ik negeerde bestookten
mij met vulgaire taal.
Mijn
oog viel op een graatmagere blonde del die een eind
verderop alleen aan de straatkant stond. Het was daar
donkerder dan elders. Haar verdwijning zou niet direct
worden opgemerkt. Ik sprak haar aan en zei dat ik
oraal bevredigd wilde worden. Halverwege de onderhandelingen
over condooms en het tarief drukte ik het pistool
in haar zij. De hoer sperde haar ogen wagenwijd open.
De rode lippenstift waarmee ze haar wulpse mond had
aangezet kreeg op slag iets clownesks. Het beetje
kleur dat ze op haar gezicht had trok razendsnel weg.
Ik nam haar mee naar een afgelegen haventerrein, waar
ik het pistool tegen haar slaap zette en de trekker
overhaalde.
De
knal die ik verwachtte bleef uit. Ik had vergeten
de veiligheidspal om te zetten. Met een hartgrondige
vloek deed ik het alsnog. In de tussentijd had ik
een welgemikt knietje in mijn kruis te pakken. Grommend
van de pijn dook ik naar de grond terwijl de hoer
er op hoge hakken vandoor ging. Ik zag nog juist kans
haar enkel vast te grijpen. Ze kwam plat op haar buik
op de kinderkopjes terecht en schopte in het wilde
weg om zich heen.
Kermend kroop ik naar voren en graaide naar haar andere
enkel, die ik pas bij de vierde poging te pakken kreeg.
Ervoor zorgend dat mijn gekneusde klokkenspel verder
buiten schot bleef trachtte ik de hoer in bedwang
te houden. Het ging niet bepaald van een leien dakje.
Ze schreeuwde, mepte en krabde. Ten einde raad sloeg
ik haar met de handgreep van het pistool de hersens
in. Het pistool dumpte ik in een plastic zak vol stenen
op de bodem van de haven. Het lijk van de hoer verborg
ik na kort beraad achter een paar roestige zeecontainers.
Nu
messen en pistolen waren afgevallen moest ik mijn
hersens behoorlijk kraken om een nieuwe modus operandi
te bedenken. Het kostte me enkele maanden om tot resultaat
te komen. Moord nummer drie pleegde ik op de jaarlijkse
kermis. Het barstte daar van het volk. Ik begaf me,
gekleed in een onopvallend tenue, in de menigte. Na
een tijdje speurend te hebben rondgestruind richtte
ik mijn vizier op een jonge meid. Ze stond in een
ellenlange rij voor het damestoilet te wachten. Blijkbaar
had ze hoge nood, want ze drentelde voortdurend zenuwachtig
heen en weer. Het was duidelijk dat ze voorlopig niet
aan de beurt zou komen. Al gauw leek zij die conclusie
ook te trekken. Ze verliet de rij en liep met haastige
stappen de kermis over. Ik volgde op gepaste afstand.
Net
buiten het kleurig verlichte terrein hield ze stil.
Bang dat ze zou omkijken verborg ik me achter een
hulststruik waarvan de stekelige bladeren me gemeen
prikten. Net op tijd! Het grietje keek spiedend om
zich heen. Vermoedelijk verkeerde ze in de veronderstelling
dat ze alleen was. Ze maakte haar riem los, trok haar
broek omlaag en ging achter de verlaten caravan van
een kermisklant zitten urineren. Meteen zag ik mijn
kans schoon. Ik sloop op haar af en sloeg mijn linkerhand
voor haar mond. Mijn rechterarm klemde ik om haar
middel.
Natuurlijk
gaf ze zich niet zonder slag of stoot gewonnen. Integendeel.
Ze vocht als een furie en beet tot bloedens toe in
mijn duim. In een reflex trok ik mijn hand weg. Direct
zette ze een keel van jewelste op. Ik haalde uit en
sloeg een paar tanden uit haar mond. Op die manier
kon ik haar stil houden zonder een tweede beet te
hoeven vrezen. Ik sleepte haar naar de vijver, een
meter of honderd verderop, en duwde haar hoofd onder
water. Haar lange haren waaierden uit als het kapsel
van een zeemeermin. Ze spartelde en kronkelde dat
het een lieve lust was.Helaas
bracht ze mij daarmee uit evenwicht. Met een enorme
plons raakte ik te water. Het was verdomde koud. Ik
zakte tot aan mijn enkels in de modder.
Vanzelfsprekend
bleef ik het grietje vasthouden tot ze niet meer bewoog,
maar de lol was eraf. Het lijk liet ik in het water
ronddobberen. Ik had geen idee wat ik er anders mee
moest doen. Doordat mijn kleren drijfnat waren kon
ik me nauwelijks bewegen. Ik stond te rillen van de
kou. Tijdens het gevecht om op de kant te komen voelde
ik me hulpelozer dan een gekortwiekte vogel. Ik ging
zo vlug mogelijk naar huis, maar kon niet voorkomen
dat de snijdende wind me een longontsteking bezorgde.
Mijn
laatste strooptocht kostte een zakenvrouw het leven.
Keurig opgedoft palmde ik haar in, waarop ze me meenam
naar haar luxueuze penthouse. Ik liep naar de glazen
pui en keek naar buiten. Hoog aan de hemel stond de
nieuwe maan als een zuinig streepje tussen de sterren.
Ver beneden mij schitterden de lichtjes van de stad.
Het was een prachtig gezicht.
Achter
me klonk een beleefd kuchje. Ik draaide me om. De
zakenvrouw zat op een duur uitziende witte sofa. Ze
had joekels van borsten waar ze op ronduit snollerige
wijze mee pronkte. Een randje rode BH piepte boven
het decolleté van haar haute couture uit. Ik ving
een glimp op van haar met kant bedekte kruis. Daar
hoefde ik niet eens moeite voor te doen, want ze had
haar rok hoog laten opkruipen. De boodschap was zo
klaar als een klontje: ze wilde seks. Ik vond het
best.
Glimlachend
vroeg ik waar de slaapkamer was. Als antwoord stond
ze op. Met veel heupgezwaai, waarbij ik me aan haar
welgevormde kont vergaapte, ging ze me voor. We doken
samen het smeedijzeren hemelbed in. Er hingen crèmekleurige
gordijnen aan de hoeken. Het beddengoed was van satijn.
De zakenvrouw liet geen seconde verloren gaan. Ze
rukte de kleren van mijn lijf en greep naar mijn gereedschap
dat al in vol ornaat voor haar klaar stond. Tijdens
de wilde vrijpartij die volgde, drukte ik haar strot
dicht.
Als
ik had geweten dat ze een expert zelfverdediging was,
had ik me wel drie keer bedacht. Ze graaide naar mijn
gezicht en plantte haar duimen snoeihard in mijn ogen.
Een helse pijn deed me naar adem snakken. De angst
dat mijn oogbollen uit elkaar zouden spatten verdubbelde
mijn kracht. Ik pakte haar polsen beet, rukte ze opzij
en bond haar handen met een pantykous vast aan de
spijlen van het bed. Haar voeten knoopte ik aan elkaar
met de andere kous.
Zoals
ik al verwacht had, begon ook zij te krijsen als een
speenvarken. Om hier een eind aan te maken propte
ik het kanten slipje in haar mond. Ik ging op haar
bekken zitten en bracht mijn gezicht vlakbij het hare.
Met een blik diep in haar ogen wurgde ik haar langzaam.
Steeds als ik dacht dat ze flauw ging vallen liet
ik los en zoog ze de lucht met raspende uithalen haar
gemartelde longen in.
Uiteindelijk
had ik er genoeg van en hield ik vast. Ze liep paars
aan. Haar ogen puilden uit. Het beruchte tongbotje
knapte onder de druk van mijn duimen. De striemen
die ik op haar hals achterliet schonken me de bevrediging
waar ik al die tijd naar op zoek was geweest. Spijtig
genoeg hadden de buren het lawaai gehoord. De voordeur
werd geforceerd. Er stormde een stel in zwart geklede
mannen met rubberen knuppels en handboeien naar binnen.
Ik werd overmeesterd en afgevoerd in een politiewagen.
Sinds drie maanden zit ik in de dodencel.
Na
mijn arrestatie kwam al vlug aan het licht dat de
andere moorden ook van mijn hand zijn. De ontwikkeling
van de forensische wetenschap is immers niet stil
blijven staan. In de trui van mijn eerste slachtoffer
vonden ze een haar van mijn hoofd. Onder de nagels
van de hoer had ik huidschilfers achtergelaten. Mijn
schoenen waren besmeurd met moddersporen uit de vijver.
Op de buik van de zakenvrouw lag de witte substantie
die ik in opperste verrukking had afgeschoten. De
mij toegewezen advocaat kon niet veel voor me doen.
Op
het moment bereid ik mijn laatste moord voor. Ik sta,
gehuld in het afzichtelijke oranje pak dat ik moet
dragen, op een krukje voor de deur van mijn cel. Aan
de tralies hangt de strop die ik zelf heb gemaakt
van de rafelige schoenveter uit mijn linker kist.
Ik steek mijn hoofd door de lus en schop het krukje
onder me vandaan. Heel even bungel ik spartelend en
naar lucht happend aan het touw. Dan hoor ik een knappend
geluid en stort ik naar beneden. De veter is doormidden
gebroken. Mijn lichaam komt op pijnlijke wijze in
aanraking met de betonnen vloer. Waar ik eerst nog
aan twijfelde weet ik nu zeker. Ik
ben een waardeloze moordenaar.
©
Tisa Pescar 2008
Terug
naar boven